Als tiener deed ik van alles dat niet door de beugel kon. Ik loog tegen mijn ouders, stal snoep uit een winkel en brouwde thuis explosieven met van school ‘geleende’ chemicaliën. Ik kan me voorstellen dat mijn ouders en leraren mij destijds niet altijd vertrouwden.

Maar ondanks deze ongein, heb ik als kind van sommige volwassenen toch hun vertrouwen gekregen. Er zijn twee ervaringen in het bijzonder die ik tot op de dag van vandaag kan voelen in mijn lijf.

De eerste ervaring was met Meneer Zuidveen, mijn leraar op de basisschool. Toen ik een keer door ziekte een rekenproef had gemist, mocht ik die later thuis maken. Ik had makkelijk de rekenmachine erbij kunnen pakken, maar Meester Zuidveen zei tegen mij: “Ik weet dat jij dat soort dingen niet doet, dus daarom mag je van mij thuis dat proefwerk maken.”

En hij had gelijk. Ook al had hij het niet gezegd, no way dat ik dan vals had gespeeld, omdat dat indruist tegen iets dat heel diep van binnen zit. Maar het feit dát mijn leraar dat zag en zó open zijn vertrouwen in mij uitsprak, ontroerde mij diep, tot tranen toe, zelfs nu nog. Dat vertrouwen ging over mij als mens, bevestigde iets dat fundamenteel aan mij was en dat nog steeds is. Afspraak is voor mij afspraak, mijn woord is mijn woord, en daar waar mij dat minder flexibel maakt, betekent het wel dat anderen op mij kunnen vertrouwen.

In diezelfde periode had ik een soortgelijke ervaring met mijn huisarts. Als kind had ik veel last van astma en moest ik om de haverklap aan de antibiotica. Ik leerde goed luisteren naar mijn lijf en wist precies wanneer het tijd was voor een stootkuur. Als ik dan de huisarts belde voor een recept, zei hij iets in de trant van: “Als jij belt, weet ik dat het serieus is en dat je het echt nodig heb. Dus schrijf ik het voor zonder je gezien te hebben.”

Natuurlijk was ik geen arts en had hij mij met alle recht eerst naar het spreekuur kunnen laten komen. Maar omdat hij vertrouwde op mijn oordeel, op mijn innerlijk weten over mijn eigen staat van zijn, nam hij me serieus. Dat heeft enorme impact op mij gehad, omdat ik altijd op dat weten ben blijven vertrouwen en regelmatig tegen de stroom in moeilijke keuzes heb gemaakt waar ik later dankbaar voor was.

In alle eerlijkheid: daar waar ik vertrouwen heb genoten, heb ik het niet altijd aan anderen gegeven. Door bepaalde ervaringen in mijn jeugd heb ik altijd de behoefte gehad om controle uit te oefenen op de wereld om mij heen. Bijvoorbeeld door geen hulp te vragen, anderen te micro-managen en zoveel kennis en kunde te vergaren dat ik alles dacht zelf te kunnen. Niet prettig voor mijzelf en anderen.

Ook in mijn ouderschap heb ik hier mee geworsteld, zeker met twee tienerzoons. Fair enough, met tieners is het misschien wel gewoon gezond om een lichte vorm van paranoia te ontwikkelen. Maar ik heb het meer over het vertrouwen in hen als mens. Ik heb moeten leren om ze op een gegeven los te laten, ook als ze vreselijk aan het klooien waren. Niet vanuit een gevoel van opgeven, van “het kan met niet meer schelen” maar vanuit het vertrouwen “dat het echt wel Goed zal komen”.

Dat gaat enerzijds om het loslaten van controle, over het accepteren dat dingen zijn zoals ze zijn en gaan zoals ze gaan. Maar ook vertrouwen in het goede van de mens, in onze capaciteit om te weten wat juist en goed is, de capaciteit om ons eigen pad in de wereld te vinden met al het moois en moeilijks dat daar bij hoort. Als mens, vader en als therapeut, vind ik het mijn verantwoordelijkheid om dat vertrouwen steeds op te zoeken.

Ik worstel nog steeds met die lessen – loslaten, vertrouwen, accepteren – maar kom er elke keer een stukje verder in. En ik ben tot de dag vandaag dankbaar voor het vertrouwen dat mijn leraar en huisarts mij hebben gegeven. Ergens voelt het alsof ik hun vertrouwen zou beschamen als ik dat vertrouwen niet zou doorgeven aan anderen.