Gisteren waren we op werkbezoek bij een medische instelling. Een plek waar artsen zich met hart en ziel inzetten voor ernstig zieken. Maar ook een plek, zo leerden wij, waar het ongewoon is om elkaar aan te spreken en om nee te zeggen.

Daar zijn wij geen voorstander van. Omwille van de veiligheid en het plezier van mensen op de werkvloer moet het mogelijk zijn om nee te zeggen. Dit geldt natuurlijk ook voor thuis.

Nee zeggen – en elkaar aanspreken – gaat over grenzen. Die hebben we om onszelf veilig te houden, maar ook om iets belangrijks te beschermen. Denk aan een waarde, een afspraak in een team of iemand die we lief hebben.

Wanneer iemand een grens overschrijdt, is het normaal om irritatie of boosheid te voelen. Dat is een signaal dat we voor onszelf op moeten komen. Plus, boosheid geeft ons de energie om dat ook daadwerkelijk te doen.

Soms, echter, doen we niks. Misschien omdat we bang zijn voor de consequenties, omdat we denken dat we er geen recht op hebben of omdat we denken dat iemand zich er toch niks van aantrekt.

Als we dit soort patronen niet doorbreken, maken we onszelf weerloos. Niet alleen voor mensen die het goed bedoelen, maar ook voor eikels, viezeriken en horken.

Of je wel of geen nee mag zeggen, leer je als kind van je ouders. Daarom leren wij onze dochters van 4 en 7 om nee te zeggen tegen elkaar en tegen ons. Wij staan immers model voor autoriteit en ongelijke machtsverhoudingen

Door hun boosheid serieus te nemen, als iets niet ok is of iets onterecht voelt, leren ze hoe ze nee moeten zeggen. En dat ze het mógen doen, dat het nut heeft. Wel zo fijn met het oog op puberende vriendjes of drammende bazen.

Nee zeggen is je recht en je kracht. Een werkomgeving of relatie waar je nee er niet mag zijn, zal meestal niet gezond voor je zijn. Goed om dat dan te bespreken en om te onderzoeken waar je boosheid zich verschuilt.